|
|
|
Gelijkmatige verdeling van vergrijzingslasten vereist aanvullend
kabinetsbeleid
De vergrijzing van de bevolking leidt tot toenemende financiële lasten.
Bij een gelijkblijvend niveau van overheidsvoorzieningen (= lusten)
neemt daardoor het netto profijt van de overheid (= lusten minus lasten)
voor toekomstige generaties af. Willen toekomstige generaties een gelijk
netto profijt hebben van de overheid als de huidige generaties, dan
vereist dit extra beleidsaanpassingen.
Er zijn drie richtingen denkbaar waarlangs houdbare arrangementen
gerealiseerd kunnen worden. Ten eerste kunnen de overheidsfinanciën op
orde worden gebracht via budgettaire maatregelen (lastenverzwaringen of
bezuinigingen). Hiervoor zou een niveau van overheidsbesparingen nodig
zijn dat overeenkomt met een structureel EMU-saldo aan het eind van de
komende kabinetsperiode van ongeveer 3% van het bruto binnenlands
product (BBP). Dit is belangrijk hoger dan de waarde die zonder
aanvullend beleid zal worden bereikt.
In de tweede plaats kunnen de vergrijzinggerelateerde arrangementen
worden hervormd, bijvoorbeeld door de AOW-leeftijd te verhogen, de groei
van de uitgaven aan gezondheidszorg te beteugelen, of de vrijstelling
van de AOW-premie voor ouderen in te perken. Naarmate het te voeren
beleid er in slaagt om toekomstige vergrijzingslasten te verminderen,
zal de taakstelling voor de overheidsbesparingen lager zijn. Ook
maatregelen die zijn gericht op het verbreden van het draagvlak via een
hogere arbeidsparticipatie kunnen hieraan bijdragen.
Niet voldoen aan de taakstelling voor de overheidsbesparingen betekent
doorschuiven van de vergrijzingslasten naar toekomstige generaties - de
derde mogelijkheid. Het netto profijt van de huidige generaties neemt
dan toe ten laste van het netto profijt van toekomstige generaties.
Dit concludeert het CPB in de vandaag verschenen studie ‘Ageing and
the Sustainability of Dutch Public Finances’. Deze studie vormt een
actualisering en uitbreiding van de eerdere CPB-studie ‘Ageing in the
Netherlands’ uit 2000. Dit nieuwe rapport is niet alleen gebaseerd
op recentere gegevens, maar ook op een meer geavanceerde modelmatige
analyse waarbij rekening wordt gehouden met economische gedragseffecten
van beleidsmaatregelen. Deze CPB-studie sluit in grote lijnen aan bij
het gemeenschappelijke kader dat ten grondslag ligt aan internationale
studies naar de gevolgen van de vergrijzing die op dit moment worden
uitgevoerd door de EU en de OESO.
Onzekerheden
Alle berekeningen zijn gebaseerd op lange-termijnprojecties voor de
bevolkingsontwikkeling, rentestanden en economische groei. Deze
ontwikkelingen zijn onzeker. Daarenboven noodzaakt de analyse tot het
maken van diverse veronderstellingen, bijvoorbeeld over de toekomstige
ontwikkeling van de zorgkosten of de levensverwachting, die de
uitkomsten beïnvloeden. De studie schetst de gevoeligheid van de
analyse-uitkomsten voor alternatieve projecties of veronderstellingen in
die gevallen waarin de onzekerheid groot is en het effect op de
uitkomsten sterk. De resultaten moeten desondanks nog met de nodige
voorzichtigheid worden geïnterpreteerd.
De overheidshuishouding op lange termijn
Als gevolg van de vergrijzing en enkele andere
lange-termijnontwikkelingen zoals het opdrogen van de aardgasbaten,
zullen de uitgaven bij ongewijzigd beleid harder groeien dan de
inkomsten. De overheidsschuld zal hierdoor toenemen. De hogere
rentelasten die dat met zich meebrengt versterken de spiraal naar steeds
grotere budgettaire tekorten. Vroeg of laat zijn dan beleidsaanpassingen
onontkoombaar.
De generaties die daarmee worden geconfronteerd, hebben een lager
netto profijt van de overheid: ze krijgen per saldo minder voorzieningen
voor wat ze aan belastingen en premies betalen. In het basisscenario van
de studie wordt bepaald welke budgettaire aanpassing nu (d.w.z. de
komende kabinetsperiode) nodig is om de situatie te bereiken waarbij
alle huidige en toekomstige generaties kunnen genieten van een gelijk
netto profijt van de overheid. De toekomstige vergrijzingslasten worden
dan gelijkmatig verdeeld over alle generaties.
Oplopende vergrijzingslasten
Als gevolg van lage vruchtbaarheid (d.w.z. gemiddeld aantal kinderen per
vrouw) en oplopende levensverwachting zal het aandeel van ouderen in de
bevolking de komende 40 jaar sterk toenemen. De grijze druk (het aantal
65-plussers gedeeld door het aantal 20- tot en met 64-jarigen)
verdubbelt bijna van zijn huidige niveau van 23,4% tot 43,4% in 2040.
Dit vormt de belangrijkste reden voor een oploop van de
overheidsbestedingen - bij gelijkblijvend voorzieningenniveau - met
7¼%-punt: van bijna 48% van het BBP nu tot 55% in 2040.
De belangrijkste bijdragen daaraan worden gevormd door de oplopende
kosten van de AOW (+4%) en de zorg (+4¼%). De overheidsinkomsten nemen
eveneens toe met name in de vorm van hogere directe en indirecte
belastingen op pensioenen (+4%), waar tegenover een afname van de
aardgasbaten staat (-1½%). Inclusief enkele andere posten (samen goed
voor +1½%) stijgen de overheidsinkomsten per saldo met 4%. Omdat de
uitgaven per saldo sterker zullen toenemen dan de inkomsten, zijn de
huidige arrangementen niet houdbaar.
De studie bepaalt de omvang van dit
lange-termijn-houdbaarheidsprobleem door de meest waarschijnlijke
ontwikkeling van inkomsten en uitgaven van de overheid te ramen, onder
de bestaande arrangementen op het gebied van overheidsvoorzieningen,
sociale zekerheid en belastingen. Daaruit is vervolgens de contante
waarde van alle toekomstige tekorten afgeleid.
Een gelijkmatige verdeling van dit totale tekort over alle huidige
en toekomstige generaties impliceert dat de huidige generaties in de
komende kabinetsperiode zoveel moeten besparen dat een structureel
niveau van het EMU-saldo wordt bereikt van omstreeks 3% (overschot) van
het BBP in 2011. Dit niveau van besparingen wordt aangeduid als het
‘houdbare’ EMU-saldo.
Oplossingsrichtingen
Er zijn drie richtingen denkbaar waarlangs het overheidsbudget op lange
termijn in evenwicht gehouden kan worden. De eerste is hierboven reeds
genoemd: beleidsmaatregelen in de komende kabinetperiode die resulteren
in een structureel EMU-saldo van omstreeks 3% aan het einde van de rit
in 2011. Hierbij kan een onderverdeling gemaakt worden in budgettaire
maatregelen (lastenverzwaringen of bezuinigingen) en beleid dat inzet op
hogere participatie, resulterend in hogere belastingopbrengsten en/of
lagere uitkeringslasten, al aan het eind van de kabinetsperiode.
De tweede mogelijkheid is het inzetten op beleid dat weliswaar niet
al op korte termijn (lees: de komende kabinetperiode) tot hogere
overheidsbesparingen leidt, maar wél op langere termijn de
vergrijzingslasten reduceert. Het gaat dan om hervormingen die een lange
incubatietijd hebben, zoals bijvoorbeeld een vroegtijdig aangekondigde
verhoging van de pensioenleeftijd. Lagere toekomstige vergrijzingslasten
verkleinen het totale toekomstige tekort, zodat ook huidige generaties
minder behoeven te worden aangeslagen. De budgettaire taakstelling voor
het komende kabinet kan daardoor nu al lager uitkomen, ook al worden de
vruchten van het ingezette beleid pas later geoogst.
Tot slot kan er ook voor worden gekozen de vergrijzingslasten anders
over huidige en toekomstige generaties te verdelen. Als toekomstige
generaties zwaarder worden aangeslagen, dan kunnen huidige generaties
worden ontzien. Ook deze ‘oplossing’ vermindert de budgettaire
taakstelling voor het komende kabinet.
De streefwaarde voor het budgettaire saldo
Zonder specifiek beleid om toekomstige vergrijzingslasten te
verminderen, zou het structurele financieringssaldo van de overheid
(EMU-saldo) aan het eind van de komende regeringsperiode omstreeks 3%
van het BBP moeten bedragen om een houdbare uitgangspositie te
verkrijgen. Als maatregelen worden genomen om de toekomstige
vergrijzingslasten te beperken, kan dit streefcijfer lager zijn. Zo
wordt de streefwaarde van het houdbare saldo ¾% BBP lager als de
pensioenleeftijd in 2015 én in 2025 met één jaar wordt opgetrokken van
65 naar 67 jaar. De streefwaarde kan daarenboven nog eens ¾% BBP kleiner
zijn als de vrijstelling van de AOW-premie voor ouderen met
onmiddellijke ingang wordt afgeschaft (de zogenaamde fiscalisering van
de AOW). Ook maatregelen die de toekomstige ontwikkeling van de
zorguitgaven inperken, verlagen het niveau van het houdbare budgetsaldo.
Geldt de streefwaarde van 3% BBP voor het EMU-saldo voor alle
generaties? Nee, dat cijfer geldt alleen voor het jaar 2011. In latere
jaren zijn de vergrijzingslasten hoger; de dan levende generaties worden
daarvoor gecompenseerd met lagere rentelasten op de staatsschuld. Juist
doordat huidige generaties meer besparen kan de staatsschuld lager zijn,
zodat toekomstige generaties zelf minder hoeven te besparen. Per saldo
zijn alle generaties dan even goed af. Dit vormt het mechanisme
waarlangs huidige generaties nu al hun bijdrage kunnen leveren aan het
afdekken van de toekomstige vergrijzingslasten.
Hoe groot is de budgettaire taakstelling?
Het structurele EMU-saldo komt in 2006 in de buurt van de 0%.
Afhankelijk van de gekozen oplossingsrichting moet tot 2011 een
verbetering in het saldo optreden in de orde van enkele procenten BBP,
waarbij ieder procent BBP overeenkomt met circa 5 miljard euro. Een deel
van deze verbetering komt vanzelf, dat wil zeggen zonder specifieke
beleidsmaatregelen, tot stand als gevolg van autonome ontwikkelingen of
reeds eerder ingezet beleid. Hoe groot dit gedeelte is valt nu nog niet
te zeggen. Het CPB onderzoekt op dit moment de meest waarschijnlijke
ontwikkeling van het EMU-saldo tot 2011, bij ongewijzigd beleid. Als
over enkele maanden dit cijfer beschikbaar komt, dan kan het worden
afgezet tegen de streefwaarden uit de huidige studie. Daaruit resulteert
de noodzakelijke beleidsinzet voor het komende kabinet. In dit stadium
valt alleen te zeggen dat deze noodzakelijke beleidsinspanning zal
liggen in de orde van enkele procenten van het BBP.
De verdeling over generaties
In het basisscenario van de studie wordt het tekort gelijkmatig over
alle generaties verdeeld. De meest wenselijke verdeling over huidige en
toekomstige generaties is een politieke afweging, geen economische. De
studie schetst de gevolgen van enkele alternatieve verdelingen van het
totale tekort over generaties voor het netto profijt dat deze generaties
daardoor zullen ondervinden. Uitstel van de benodigde budgettaire
aanpassing met 34 jaar tot 2040, en terugkeer naar het basispad in de 34
jaar daaropvolgend, betekent een extra last van 4,8% BBP voor de
generaties die dan leven.
Vergelijking met de eerdere studie uit 2000
In vergelijking met de eerdere CPB-studie naar de omvang van de
vergrijzingsproblematiek (Ageing in the Netherlands, 2000) is de
houdbaarheid van de openbare financiën verslechterd. Toen werd een
houdbaar EMU-saldo gevonden van 1¼% BBP in 2011, tegen 3% BBP nu,
leidend tot een beperkte beleidstaakstelling van ¾% BBP saldoverbetering
toen, tegen een taakstelling in de orde van enkele procenten BBP nu. De
verslechtering is opmerkelijk aangezien in de tussenliggende periode op
diverse terreinen beleid is ingezet dat beoogde de houdbaarheid juist te
verbeteren. Wat is de achtergrond van deze verslechtering?
Verslechtering houdbaarheidsbeeld
Hoewel, zoals hiervoor aangegeven, de omvang van de noodzakelijke
beleidsaanpassing nog niet precies valt vast te stellen, kunnen wel de
belangrijkste factoren worden aangewezen die voor een wijziging in het
houdbaarheidsbeeld hebben zorggedragen, waarbij een + een toename van de
budgettaire taakstelling (d.w.z. verslechtering van de houdbaarheid)
betekent en een - een afname. Onderstaande lijst is niet uitputtend:
• De kapitaalmarktrente is de afgelopen jaren sterk gedaald. Dit
heeft geleid tot een neerwaartse bijstelling van het door
pensioenfondsen te verwachten rendement. Voorts heeft de aandelenschok
de pensioenvermogens uitgehold. Voor belangrijk hogere premies
(aftrekbaar) worden nu enigszins lagere pensioenuitkeringen (belast)
voorzien. Het gezamenlijk effect van de lagere rente en de versobering
van de pensioenen bedraagt + 3¼% BBP.
• De ontwikkeling van de arbeidsparticipatie van vrouwen wordt nu
iets minder optimistisch ingeschat dan 6 jaar geleden (effect: +1¼% BBP).
• De hervormingen in de WAO hebben er voor gezorgd dat de
arbeidsongeschiktheid zich gunstiger ontwikkelt, wat resulteert in een
hoger arbeidsaanbod en lagere WAO-lasten (effect: -3% BBP).
• De recente hervorming van het zorgstelsel impliceert een technische
correctie in de berekeningen via een groter collectief aandeel in de
zorgkosten (effect: +½% BBP).
• De hogere olieprijs heeft de waarde van de aardgasvoorraad
vergroot. Alle generaties zouden daarvan in gelijke mate moeten kunnen
profiteren. Het uitputten van deze voorraad door de huidige generaties
vergt daarom een hogere schadeloosstelling van toekomstige generaties
(effect: +½% BBP).
Meer informatie
Meer over ouderen vindt u op de
senioren.startpagina.nl
|
|
|
|