Zeer kleine aantallen kwaadaardige leukemiecellen zijn
met bepaalde technieken zichtbaar te maken en dat heeft gevolgen voor de
behandeling. Dit blijkt uit het proefschrift van Nancy Boeckx
"Moleculaire diagnostiek en flow-cytometrische immunofenotypering ter
evaluatie van therapie-effectiviteit bij patiënten met myeloide
leukemie" waarop zij onlangs promoveerde aan de Erasmus Universiteit te
Rotterdam.
Myeloide leukemie is een soort kanker van het bloed. Het
doel van de behandeling is zoveel mogelijk kwaadaardige cellen te
vernietigen. In een deel van de gevallen kan dit leiden tot genezing van
de patiënt.
Vaak blijven er toch nog kleine aantallen kwaadaardige
cellen achter in het lichaam, die na beenmergafname onder de microscoop
niet zichtbaar zijn. Deze restcellen kunnen er uiteindelijk wel voor
zorgen dat de ziekte terugkeert of dat de patiënt overlijdt.
Boeckx gebruikte twee soorten technieken voor het
opsporen van deze kleine aantallen kankercellen in het bloed en het
beenmerg. Een eerste techniek is de flowcytometrische immunofenotypering:
met behulp van antistoffen kunnen antigenen op leukemiecellen worden
getraceerd. Door middel van deze techniek kan aangetoond worden of er
wel of niet nog restcellen aanwezig zijn.
De andere techniek is de polymerase ketting reactie,
waarmee afwijkingen in het erfelijk materiaal worden opgespoord. Ook
deze techniek wordt gebruikt om te kijken naar de aanwezigheid van
restcellen. Het voordeel van deze laatste techniek is dat er bloed
gebruikt kan worden in plaats van beenmerg, dit is minder belastend voor
de patiënt.
Boeckx verwacht dat nieuwe therapieprotocollen gebruik
gaan maken van de voorspellende waarde van deze informatie om de
behandeling per patiënt te kunnen aanpassen: intensieve behandeling bij
patiënten met een hoog risico op terugkeer van de ziekte en vermindering
van behandeling bij patiënten met een laat risico op ziekteterugkeer.
Bron: Erasmus MC.