Leefsituatie op het
platteland beter dan in de stad
Onlangs werd de SCP-publicatie Thuis op
het platteland. De leefsituatie van platteland en stad vergeleken,
aan de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV), dr. C.P.
Veerman aangeboden.
Het rapport, onder redactie van ir. Anja
Steenbekkers, dr.
Carola Simon en
dr. Vic Veldheer, beschrijft de
ontwikkeling van de leefsituatie op het platteland van de afgelopen tien
jaar en vergelijkt de leefsituatie van plattelandbewoners met die van
de stedelingen.

Aan de orde komen onder meer: demografie en
ruimtegebruik, inkomen, arbeid, onderwijs, gezondheid en zorg, wonen,
mobiliteit, voorzieningen, criminaliteit, maatschappelijke participatie
en tijdsbesteding. De verschillende domeinen worden in samenhang bekeken
aan de hand van de SCP-leefsituatie-index, een objectieve maat waarin de
leefsituatie in één cijfer wordt uitgedrukt. Het rapport is de eerste
publicatie in het onderzoeksprogramma Sociale Staat van het Platteland,
dat het SCP op verzoek van het ministerie van LNV uitvoert.
‘Platteland’ = weinig tot niet-stedelijk
Voor het begrip
‘platteland’ is in dit rapport uitgegaan van de stedelijkheidsgraad van
het CBS, die Nederland verdeelt in vijf klassen van stedelijkheid. De
laagste twee, weinig stedelijk en niet-stedelijk, vormen
het platteland. Op deze wijze gedefinieerd omvat ‘het platteland’
geografische eenheden met minder dan 1000 adressen per km2.
Deze relatief dunbevolkte gebieden buiten de stad beslaan 71% van het
totale oppervlak van Nederland en er wonen 6,2 miljoen mensen, ofwel 38%
van de Nederlandse bevolking. Slechts een
klein deel van de plattelandsbevolking kan gerekend worden tot de
agrarische beroepsgroep.
Een
gunstige leefsituatie, maar niet voor iedereen en niet overal
De leefsituatie op het
platteland is in 2004 beter dan gemiddeld in heel Nederland en beter dan
in het stedelijk gebied. Op het platteland heeft 9% van de mensen een
slechte leefsituatie, in de stad is dat 17%. De beste leefsituatie
hebben 20% van de plattelanders en 17% van de stedelingen. De betere
leefsituatie op het platteland heeft vooral te maken met de gunstiger
woonsituatie, de grotere maatschappelijke participatie en het hogere
autobezit. Een relatief ongunstigere leefsituatie hebben op het
platteland de jongeren en alleenstaande ouderen. Bij de jongeren heeft
dit vooral te maken met het lagere niveau van opleiding en beroep en de
geringere deelname aan het volwassenenonderwijs. Bij de alleenstaande
65-plussers hangt de ongunstigere leefsituatie samen met een naar
verhouding laag inkomen, relatief hoge woonlasten en een gering
particulier vermogen.
Vergeleken met het
platteland als geheel hebben plattelandsgebieden in de provincies
Groningen, Drenthe, Friesland en Zeeland te maken met een minder goede
leefsituatie. De kans op werkloosheid is hier het hoogst, er komen
relatief veel tijdelijke arbeidscontracten voor en men werkt het minst
vaak als zelfstandige en juist veelvuldig in deeltijdbanen.
Sterke ontgroening en vergrijzing
De bevolking van
Nederland vertoont een gestage groei, maar dit is vooral een stedelijk
fenomeen. Woonde in 1993 woonde nog 43% van de totale bevolking op het
platteland, in 2004 was dit gedaald tot 38%. Het aandeel 20-34-jarigen
op het platteland is afgenomen van 22% in 1995 naar 17% in 2004. In de
stedelijke gebieden krimpt deze leeftijdsgroep ook, van 26% in 1995 naar
22% in 2004, maar minder snel. Vanwege het vertrek van de groep
jongvolwassenen voor het volgen van een studie of om te werken in de
stad, is de ontgroening van het platteland het afgelopen decennium
sterker zichtbaar dan in de stad. Kinderen en jongeren in de leeftijd
van 0-19 jaar zijn juist weer relatief sterker vertegenwoordigd op het
platteland. De groep Nederlanders van 55 jaar en ouder is op het
platteland gemiddeld jonger dan in de stedelijke gebieden. Zo steeg op
het platteland het aandeel van de leeftijdsgroep 55-64 jaar van 10% in
1995 naar 13% in 2004, terwijl dit in de stad toenam van 9% naar 11%. De
vergrijzing op het platteland is sterker dan in stedelijke gebieden. Op
het platteland wonen minder eenpersoonshuishoudens en meer
meerpersoonshuishoudens (met en zonder kinderen) dan in de stad. Het
aantal eenpersoonshuishoudens op het platteland neemt wel gestaag toe,
van 22% in 1998 naar 24% in 2004. Net als in de rest van Nederland
worden ook op het platteland de huishoudens gemiddeld steeds kleiner.
Het aandeel niet-westerse allochtonen onder de plattelandsbevolking is
met 3% relatief laag; in de stad vormen zij gemiddeld 15% van de totale
bevolking.
Gelijkmatige verdeling van inkomen
De inkomensongelijkheid
op het platteland is laag, die in de grote stad hoog. De inkomens op het
platteland blijken tamelijk gelijk verdeeld: er zijn relatief weinig
armen en rijken. Wel is er een verschil tussen het niet-stedelijk en
weinig stedelijk gebied, want in het laatste wonen relatief veel mensen
met een hoog inkomen.
Het
beroepsniveau blijft achter
Onder werkenden op het
platteland stijgt het percentage hoogopgeleiden minder snel dan in het
stedelijk gebied. Dit wordt vooral veroorzaakt door de trek van hoger
opgeleide jongeren van het platteland naar de stad. Bovendien zijn er
meer banen van lager en minder banen van hoger/wetenschappelijk niveau
en stijgt het gemiddelde beroepsniveau minder snel dan in de stad.
In plattelandsgebieden
steeg het aantal werkenden tussen 1992 en 2003 met 14%, in de stad ging
het om een stijging van 31%. Van alle werkenden werkte in 1992 29% en in
2003 26% op het platteland. De arbeidsparticipatie van
plattelandbewoners is hoog, er is weinig werkloosheid. In 1992 werkte
39% van alle plattelandvrouwen tussen 15 en 64 jaar, in 2003 was dat
53%. In de steden ging het in dezelfde jaren om een arbeidsparticipatie
van respectievelijk 43% en 56%. Plattelandbewoners hebben relatief vaak
lichamelijk zwaar werk: in 2003 moest 27% van de bewoners in
niet-stedelijke gebieden regelmatig kracht zetten, tegenover 17% van de
in de zeer sterk verstedelijkte gebieden gevestigde burgers.
Plattelandbewoners ervaren echter wel minder werkdruk, zijn vaker
tevreden over hun beloning en ervaren onderling een prettigere werksfeer
dan de gemiddelde stadsbewoner. Het belang van de landbouw is afgenomen
op het platteland, beroepen als zelfstandig land- en tuinbouwer en
agrarisch arbeider komen er steeds minder voor. De meeste mensen op het
platteland werken in de industrie en de handel. Steeds meer mensen zijn
er werkzaam in de zakelijke dienstverlening, de bouwnijverheid, de
horeca en het onderwijs.
Lager opleidingsniveau
De plattelandsbevolking
is gemiddeld lager opgeleid dan de stedelijke bevolking. Jonge
generaties zijn weliswaar hoger opgeleid dan de oudere, maar er is nog
steeds een niveauverschil tussen platteland en stad.
Een op de
zes basisscholen in Nederland heeft minder dan 100 leerlingen,
80% van deze scholen staat op het platteland.
De
leerprestaties van stad en platteland verschillen nauwelijks. Leerlingen
op het platteland gaan bovendien even vaak naar havo/vwo als leerlingen
in de stad. Wel ligt in de grote stad het voortijdig schoolverlaten twee
keer zo hoog als op het platteland. De belangstelling voor groen
onderwijs (agrarisch vmbo) is in tien jaar tijd met 40% gestegen. Een
breder lesaanbod en bredere werkgelegenheid dan alleen in de
traditionele agrarische sector, een witte vlucht uit de stedelijke
vmbo’s, en een behoefte aan praktische vakken en individuele begeleiding
droegen bij aan deze groei.
Plattelanders zijn gezonder dan stedelingen
In 2003 voelt 83% van
de plattelandbevolking zich ‘zeer goed’, tegen 79% van de stadsbewoners.
De betere gezondheid valt voor een deel te verklaren uit het minder
voorkomen van riskante gewoonten.
Zo rookt in de stad iets minder dan 36% van de bevolking, op het
platteland is dat 32%. Verslavingen aan drugs komen op het platteland
minder voor. In negatieve zin springt het alcoholgebruik van jongeren er
uit: van de 12-18-jarigen op het platteland
drinkt 22% dagelijks of enkele keren in de
week, in de stad is dat 15%.
De bereikbaarheid van de medische
voorzieningen blijft een belangrijk aandachtspunt op het platteland.
Hoewel mensen door het toenemende autobezit mobieler zijn, zullen
verdere fusies en specialisaties van ziekenhuizen en spoedeisende
hulpvoorzieningen leiden tot langere reistijden. Dat geldt ook voor de
avond,- nacht- en weekenddiensten van huisartsen. Voor een klein deel
van het platteland geldt dat de dichtstbijzijnde spoedeisende
hulpafdeling van een ziekenhuis niet binnen 30 minuten per privé-auto is
te bereiken. In heel Nederland betreft dit 128.000 mensen (1%), vooral
plattelandsbewoners. Ook zijn het vooral plattelandsgebieden waar de
maximaal toegestane reistijd van ambulances (15 minuten) wordt
overschreden.
Steeds meer bebouwing
Nederland verstedelijkt
steeds meer: het platteland neemt in oppervlakte af en het stedelijk
gebied groeit. Nieuwbouw op het platteland heeft ertoe geleid dat tussen
1994 en 2000 ruim 600.000 (nieuwe en bestaande) woningen in een omgeving
met een stedelijker karakter kwamen te liggen; dat is circa 8% van de
totale woningvoorraad.
De woningvoorraad op
het platteland kent meer riante woningtypen (vrijstaande woningen en
tweekappers en vaker eigendom van de bewoners. Het aandeel koopwoningen
ligt op het platteland rond de 70%, in de stad is dit 45%. Op het
platteland is 93% van de huishoudens tevreden met de woning en 91%
tevreden met de woonomgeving, in de stad is dit respectievelijk 85% en
80%. Er zijn nog ca. 140.000 boerderijen, waarvan ruim 50.000 behalve
als woning ook nog als agrarisch bedrijf in gebruik zijn.
Meer
per auto, minder per bus
Steeds meer huishoudens
op het platteland hebben de beschikking over een of meer auto’s (87% in
2003).. Ruim 30% van alle plattelandshuishoudens heeft de beschikking
over meer dan één auto (tegen 16% in stedelijke gebieden). Bewoners van
het platteland verplaatsen zich vaker (+3%) en over grotere afstanden
(+14%) dan inwoners van stedelijke gebieden. Anders dan in de stad wordt
daarbij hoofdzakelijk gebruik gemaakt van de auto (58% van de
verplaatsingen, 82% van de afgelegde kilometers).
Het aanbod van het
lijngebonden openbaar vervoer op het platteland is in de laatste jaren
teruggelopen. In veel gebieden is als alternatief voor het busvervoer de
‘regio-taxi’ geïntroduceerd: kleine taxibusjes, die op basis van een
verplichte reservering van deur tot deur vervoer aanbieden. In de
periode tussen 1993 en 2004 zijn plattelanders meer en vaker gebruik
gaan maken van de auto en minder van het openbaar vervoer. Niet alleen
volwassenen en ouderen, ook jongeren in de leeftijd van 12 tot 18 jaar
zijn voor hun dagelijkse activiteiten in toenemende mate afhankelijk van
vervoer per auto. Vervoersarmoede op het platteland is beperkt tot de
groep ouderen zonder rijbewijs. Zij zijn in toenemende mate aangewezen
op familie en vrienden of op de ‘regiotaxi’. Plattelanders oordelen
positiever over de gebruiksmogelijkheden van de auto dan stedelingen.
Het openbaar vervoer wordt juist negatiever bejegend, met name de
kwaliteit en de kosten die aan het gebruik ervan verbonden zijn ervaart
men als problematisch.
Voorzieningen
Er zijn in Nederland
maar weinig mensen op het platteland die geen winkel en/of basisschool
in de directe omgeving hebben. In de niet-stedelijke gebieden heeft 90%
van de mensen een winkel voor de dagelijkse levensbehoeften en 94% een
basisschool in het postcodegebied waar ze wonen. De basisvoorziening die
in de niet-stedelijke gebieden het vaakst in de directe omgeving afwezig
is, is de huisarts: 30% van de bevolking heeft hun huisarts niet in de
directe woonomgeving. Voor het gehele platteland is dat rond de 20%. Het
aantal winkels loopt nog steeds terug op het platteland (tussen 1993 en
2003 is er een afname van 87.000 naar 78.000 bedrijven) en de
ziekenhuizen zijn geconcentreerd in de stedelijke gebieden. Bewoners van
het platteland zijn relatief vaak tevreden met het voorzieningenaanbod,
uitgezonderd het aanbod aan winkels (65% van de bewoners van de zeer
landelijke gebieden is tevreden, versus 81% van de zeer sterk stedelijke
gebieden) en openbaar vervoer (46% versus 82%).
Een
veilig platteland
Het aandeel
plattelanders dat aangeeft zich wel eens onveilig te voelen is jaarlijks
ongeveer 20%, in stedelijk gebied ligt dat rond de 30% van de
bewoners. Over het algemeen signaleren plattelanders minder overlast en
verloedering in hun omgeving dan stedelingen. Niettemin is de perceptie
van rommel op straat, vernieling van straatmeubilair en overlast van
groepen jongeren op het platteland de afgelopen tien jaar
toegenomen. Plattelandsbewoners zijn in 2003 slachtoffer geworden van
naar schatting 1,3 miljoen delicten; dit is ongeveer een kwart van de
totale criminaliteit in Nederland. In vergelijking met stedelijke
gebieden is de criminaliteit op het platteland lager. Drie op de vier
woningen op het platteland is beveiligd.
Weinig verschillen in tijdsbesteding
Plattelandsbewoners
kennen over het algemeen dezelfde tijdsbesteding als stadsbewoners. Per
week is men circa 44 uur met verplichtingen (werk, studie, huishouden)
in de weer, heeft men 79 uur persoonlijke tijd (slaap, voeding,
verzorging) en 45 uur vrije tijd. Ook de vrijetijdsbesteding van
plattelanders is vrijwel gelijk aan die van stedelingen. Het zwaartepunt
ligt, net als bij stedelingen, op het gebruik van elektronische media en
in het onderhouden van sociale contacten. Hoewel de beschikbaarheid van
moderne elektronische media (tv, pc) en internet op het platteland
vergelijkbaar is met die in de rest van Nederland, wordt er minder tijd
doorgebracht achter de computer (1,5 uur per week versus 1,9 uur per
week door stedelingen) en ook voor de televisie (12 versus 12,7 uur per
week). Plattelandsbewoners besteden wel meer tijd aan hobby’s en
sporten dan stedelingen en beoefenen die vaker in georganiseerd verband.
Aan hobby’s wordt ca. 7,5 uur per week besteed op het platteland en
ca.6,5 uur per week in de stad; aan sporten ca. 2 uur in de week op het
platteland en 1,7 uur per week in de stad. Bewoners van het platteland
brengen circa 60% van hun uitstapjes op het platteland door. Slechts
zelden (8%) wordt er een bezoek gebracht aan een grote stad.
Vaker aangesloten bij organisaties
De bewoners van het
platteland zijn vaker aangesloten bij een organisatie dan de bewoners
van de stad; ook meervoudig lidmaatschap komt er relatief vaak voor.
Recreatieve organisaties hebben naar verhouding meer leden op het
platteland, maar net als in de stad neemt dit lidmaatschap door de jaren
af (48% in 1995 en 43% in 2003 op het platteland, 39% in 1995 en 36% in
2003 in de stad). De kerkelijkheid is eveneens aanzienlijk groter op het
platteland: 72% van de bevolking rekent zich tot een kerkgenootschap
tegen 55% van de stadsbewoners.
Plattelandsbewoners
zijn wat sterker dan stedelingen georiënteerd op de lokale omgeving. Ze
hebben frequenter contact met buren: 75% van de plattelandsbewoners zegt
minimaal 1 keer per week contact te hebben, 68% van de stedelingen zegt
dit. Ook zijn plaatselijk gerichte acties onder hen populairder.
Plattelanders verrichten vaker vrijwilligerswerk dan stedelingen; in het
algemeen is het gebrek aan vrijwilligers op het platteland (30% van de
organisaties) kleiner dan in de stad (40%). Daarbij blijven
vrijwilligers op het platteland langer bij een organisatie: 44 % geeft
zelfs aan dat vrijwilligers er vijf tot tien jaar blijven.
Meer informatie
Veel meer over het platteland vindt u op:
platteland.startpagina.nl
|