|
|
|
Vrouwen
én mannen kiezen steeds meer voor deeltijdbaan
Arbeidsmarkt.
- Het gemiddelde niveau van de banen zal
naar verwachting in de komende 15 jaar stijgen. Er is echter weinig
aanleiding om te verwachten dat het aandeel laaggekwalificeerde banen
zal afnemen. In 1985 werkte rond 7% van de Nederlanders in een baan op
het laagste niveau, in 2002 is dit nog steeds zo.
- Op de arbeidsmarkt van de toekomst is
waarschijnlijk geen sprake van een algehele verbetering van de
kwaliteit van het werk. Het aandeel personen dat vuil en zwaar werk
verricht is in de afgelopen decennia nauwelijks afgenomen. Steeds meer
werkenden hebben een baan waarin ze veelvuldig dezelfde handelingen
moeten verrichten. Wel neemt de autonomie in het werk toe.
- Het aandeel vrouwen, hoger opgeleiden,
ouderen en allochtonen in de beroepsbevolking zal in de komende jaren
verder toenemen.
- Het einde van de vaste baan is niet in
zicht. In 1970 bestond 80% van de werkgelegenheid uit vaste banen, in
2002 geldt dit voor 76%.
- De voltijdbaan is wel op zijn retour.
Vrouwen kiezen steeds vaker voor een grote deeltijdbaan (20-34 uur):
in 1987 werkte 33% van de vrouwen in een dergelijk baan, in 2003 gold
dit voor 48% van de werkende vrouwen. Ook bij de mannen is een lichte
verschuiving zichtbaar van voltijdbanen naar grote deeltijdbanen.
- Vooralsnog is van een trendmatige
stijging van mobiliteit (verandering van baan en functie, uittreding
uit arbeidsmarkt voor scholing of zorg) geen sprake. De door velen
voorspelde transitionele arbeidsmarkt is dan ook nog ver weg.
- In de toekomst valt een gematigde
toename van het thuiswerken te verwachten, maar dat zal het beeld van
de arbeidsmarkt niet gaan bepalen. Ook gaan we naar alle
waarschijnlijkheid niet aanzienlijk vaker buiten kantooruren werken:
van 9 tot 5 uur blijft het dominante patroon.
- Het staat allerminst vast dat op de
arbeidsmarkt in 2020 het aantal gewerkte uren per werknemer zal zijn
toegenomen. De gemiddelde arbeidsduur per werknemer vertoont al sinds
1970 een dalende tendens. Dit sluit aan bij de voorkeur van de
bevolking: slechts 10% vindt het wenselijk dat in 2020 het gemiddelde
aantal gewerkte uren hoger zal zijn dan nu.
- Hoewel tweederde van de bevolking
denkt dat in 2020 de druk van betaald werk zal zijn toegenomen, wijst
de trend van de afgelopen jaren daar niet op. De stijging van de
werkdruk en het aantal overuren heeft zich met name aan het einde van
de jaren tachtig voorgedaan. Sindsdien is het aandeel werkenden dat te
maken heeft met tijdsdruk en burnout-verschijnselen stabiel.
Dit zijn de belangrijkste conclusies uit
hoofdstuk 6 van het
Sociaal en Cultureel Rapport 2004.
Bontere
samenstelling van de beroepsbevolking
De beroepsbevolking zal in de komende decennia steeds meer vrouwen,
ouderen, hoger opgeleiden en allochtonen tellen. Er zijn geen redenen om
aan te nemen waarom de thans zichtbare trend zich niet zal doorzetten.
Thans bestaat de beroepsbevolking voor meer dan 40% uit vrouwen, in 1971
was dit nog maar 25%. Op dit moment heeft bijna 30% van de
beroepsbevolking een hbo- of wo-diploma, in 1971 was dit 13%. Na een
lange periode van daling ligt op dit moment het aandeel ouderen (hier
50+) in de beroepsbevolking op 20%. In de komende jaren zal zich een
verdere stijging voordoen. De toename van de arbeidsparticipatie van
ouderen is bij de mannen al aan de gang sinds 1993. De brutoparticipatie
ligt thans op 68%, en is daarmee al weer even hoog als in 1981.
Wisselend beeld
bij niveau en kwaliteit van banen
Vrij algemeen bestaat het beeld dat in Nederland het aandeel
banen op het allerlaagste niveau is geslonken en dat deze ontwikkeling
zich in de toekomst zal doorzetten. Dat is niet zo: het aandeel banen op
het laagste niveau is al enkele decennia nauwelijks veranderd. Aan de
bovenkant neemt het aandeel banen wel toe. Per saldo is het gemiddelde
niveau van banen in Nederland gestegen. Dit is een trendmatige
ontwikkeling die al jaren aan de gang is en zich naar verwachting de
komende jaren zal doorzetten.
De toename van het aandeel hogere banen betekent niet automatisch dat de
kwaliteit van de banen verbetert. Het aandeel werkenden met fysiek
bezwarende arbeidsomstandigheden - vuil en zwaar werk - daalt slechts
zeer geleidelijk. Tevens is vanaf 1994 het aandeel werkenden dat
repeterende handelingen verricht met vijf procentpunten toegenomen. Veel
werkenden - zo rond de 75% - geven aan dat hun werk goede
ontplooiingsmogelijkheden biedt, maar van een trendmatige stijging is in
de afgelopen jaren geen sprake geweest. Wel beschikken steeds meer
werkenden over autonomie in het werk (b.v. zelf beslissen hoe het werk
uit te voeren, tempo zelf bepalen). In 2002 geeft 73% van de werkenden
aan dat ze beschikken over autonomie in hun werk, in vergelijking met
1994 is dit een stijging met 8 procentpunten.
Werken buiten
kantooruren en thuiswerken gaat geen grote vlucht nemen
Bijna 75% van de bevolking denkt dat in 2020 de mogelijkheden tot
thuiswerken zullen zijn toegenomen. Ontwikkelingen in de achterliggende
jaren ondersteunen deze verwachting maar beperkt. Het aandeel personen
dat thuis werkt is namelijk slechts langzaam gestegen: in 1980 werkte
15% van de werknemers wel eens thuis, in 2000 was dit 23%. In de
afgelopen decennia is het werken buiten kantooruren niet substantieel
toegenomen. Afgaande op deze trends is het waarschijnlijk dat ook in de
toekomst werken overwegend aan een vaste plaats en tijd gebonden zal
blijven.
Op weg naar een
mobiele arbeidsmarkt?
De bevolking voorziet een trend in de richting van een flexibele en
mobiele arbeidsmarkt. Driekwart van de bevolking voorspelt een toename
van het aantal tijdelijke banen en eenzelfde aandeel verwacht dat het in
de toekomst gemakkelijker wordt om personeel te ontslaan. Meer dan de
helft van de bevolking verwacht dat in 2020 het aantal werkenden dat
regelmatig van werkgever verandert, groter zal zijn dan nu. Ook voorziet
bijna de helft van de bevolking dat het in 2020 makkelijker zal zijn om
een periode met werk te stoppen en scholing te volgen. Wisselingen van
positie - deels vrijwillig, deels gedwongen - typeren de toekomstige
arbeidsmarkt, zo is de verwachting. Uit de ontwikkelingen op de
arbeidsmarkt van de afgelopen decennia blijkt hier echter betrekkelijk
weinig van. De vaste baan is nog steeds de dominante contractvorm. 98%
van de werkenden met een vaste baan heeft bovendien een voorkeur voor
een dergelijke aanstelling. Het aandeel personen dat van baan of functie
verandert, is in de afgelopen 20 jaar niet trendmatig toegenomen.
Mobiliteit hangt vooral samen met de conjuncturele omstandigheden. Die
zullen in hoge mate bepalen of flexibiliteit en mobiliteit kenmerkend
zullen zijn voor de arbeidsmarkt van 2020.
Uitbreiding van
het aantal gewerkte uren stuit op weerstand
Om mee te kunnen blijven komen in de internationale concurrentie is de
regering van mening dat in de komende jaren de arbeidsduur per werknemer
zal moeten toenemen. Een verlenging van het aantal gewerkte uren per
week is een veel genoemde maatregel. Sinds de jaren zeventig is er een
duidelijke trend geweest in de richting van een daling van de gemiddelde
arbeidsduur. Werknemers hebben een sterke voorkeur voor een betrekkelijk
gering aantal arbeidsuren. Tijd buiten het werk gaat bij velen voor
inkomen. Van de werknemers die hun arbeidsduur zouden willen aanpassen,
wil driekwart minder werken. Slechts 10% van de bevolking vindt het
wenselijk wanneer in 2020 het gemiddelde aantal gewerkte uren zal zijn
gestegen.
Veel meer over de arbeidsmarkt vindt u op de
arbeidsmarkt.startpagina.nl
Ook de
arbeidsrecht.startpagina.nl,
de
conflicthantering.startpagina.nl
en de
onderhandelen.startpagina.nl
bieden een schat aan informatie.
|
|
|