|
|
De arbeidsmarkt
De arbeidsmarkt is een economische en sociologische benaming voor de
interactie tussen vraag naar en aanbod van arbeid. In het algemeen is er
niet een daadwerkelijke centrale, gereguleerde marktplaats waarop
vragers en aanbieders elkaar fysiek ontmoeten. Hier zijn uitzonderingen
op. Zo zijn er soms plaatselijk door een gemeente of een arbeidsbureau
banenmarkten georganiseerd, veelal exclusief gericht op werklozen.
Net als op andere markten komt ook op de 'arbeidsmarkt' een prijs tot
stand: het loon dat de werkgever aan een werknemer betaalt voor diens
arbeid. Vaak wordt ook het arbeidsaanbod van zelfstandigen tot de
arbeidsmarkt gerekend.
Spanning op de
arbeidsmarkt
In een eenvoudig model van de arbeidsmarkt komt een dusdanig loon tot
stand dat aanbod en vraag aan elkaar gelijk zijn. De werkelijkheid ziet
er evenwel anders uit, en toont zowel periodes dat het aanbod de vraag
overtreft, als periodes dat het andersom is.
Ruime arbeidsmarkt
Men spreekt van een ruime arbeidsmarkt als het arbeidsaanbod groter is
dan de arbeidsvraag. Er is dan sprake van een aanbodoverschot. De
gevraagde arbeid wordt in de meeste landen, waaronder België en
Nederland, niet over de aanbieders verdeeld, maar er zijn aanbieders die
werken en andere aanbieders die werkloos zijn.
Deze situatie treedt vooral op in een laagconjunctuur, als door
onderbesteding de ontwikkeling van de economie tegenvalt. Als er minder
producten en diensten worden afgenomen, wordt er ook minder arbeid
verricht. Werkgevers zullen nog enige tijd een interne arbeidsreserve
aanhouden voor het geval de vraag naar hun producten weer toeneemt, maar
als de laagconjunctuur aanhoudt kan dat niet altijd worden volgehouden
en kunnen er zelfs gedwongen ontslagen plaatsvinden. De werkloosheid die
door laagconjunctuur ontstaat wordt conjuncturele werkloosheid genoemd.
Werkloosheid kan ook optreden als het loon dusdanig hoog is dat het
aantrekkelijk wordt voor ondernemers om om te zien naar productiewijzen
waarbij minder van menselijke arbeid gebruik wordt gemaakt en meer van
machines en andere kapitaalgoederen. Er vindt dan substitutie van arbeid
door kapitaal plaats. Andere vormen van substitutie zijn eveneens
mogelijk. En werkloosheid kan ontstaan als er, gegeven de bestaande
productiemethode, niet genoeg productiecapaciteit is om de gevraagde
goederen en diensten te produceren. De werkloosheid die zo ontstaat
wordt wel structurele werkloosheid genoemd.
Het onderscheid tussen conjuncturele en structurele werkloosheid is niet
zomaar cijfermatig aan te geven, omdat dit afhangt van wat als een
'normale' economische of technologische ontwikkeling wordt beschouwd en
hoe de productiecapaciteit wordt gemeten. Het is echter wel van belang
voor de te maken beleidskeuzes.
Ongeacht de oorzaak van de werkloosheid, zal het loon de neiging hebben
om te zakken omdat de aanbieders van arbeid onderling concurreren en de
vragers de aanbieders voor het uitkiezen hebben. Deze op het eerste
gezicht evenwichtsherstellende reactie kan echter worden gefrustreerd
door bestaande collectieve arbeidsovereenkomsten (CAO's) of door
wetgeving over bijvoorbeeld het minimumloon. Daarnaast is het niet zeker
dat het aanbod van arbeid daalt als het loon afneemt. Werknemers zijn
tegelijk ook consument en terwijl ze vanwege de lagere beloning minder
zouden willen werken, hebben ze juist meer arbeid nodig om hun inkomen
op peil te houden. Hoe het saldo van het prijseffect en het
inkomenseffect uitvalt zal per situatie en per aanbieder verschillen.
Krappe
arbeidsmarkt
Er is sprake van een krappe arbeidsmarkt als de vraag naar arbeid groter
is dan het aanbod van arbeid. Werkgevers blijven zitten met onvervulde
vacatures, ofwel openstaande vraag. Zij kunnen dit tijdelijk opvangen
met overwerk of door mensen uit andere regio's of landen te laten
pendelen, maar daar zijn extra kosten aan verbonden. Een loonstijging
zal dan ook onvermijdelijk zijn: de werkgevers concurreren met elkaar,
en de aanbieders van arbeid hebben de banen voor het uitzoeken. Dit kan
ertoe leiden, dat personen die voorheen geen arbeid aanboden dit alsnog
gaan doen, dat ouderen herintreden of dat jongeren eerder hun opleiding
afronden. Mogelijk zullen ook aanbieders van arbeid uit andere streken
zich gaan vestigen (immigratie). Een andere mogelijkheid, die
aantrekkelijker wordt als de lonen stijgen, is dat via substitutie de
productiewijze wordt aangepast.
Een krappe arbeidsmarkt is meestal het
gevolg van hoogconjunctuur, waarbij overbesteding leidt tot de wens om
meer te produceren. Er kunnen echter ook andere oorzaken zijn. Zo wordt
in Nederland door regering en vakbonden verwacht dat er krapte op de
arbeidsmarkt op zal treden doordat als gevolg van vergrijzing het aantal
personen dat arbeid kan verrichten daalt.
Frictiewerkloosheid
Arbeid is heterogeen: een aanbieder van arbeid kan niet willekeurig
welke arbeid verrichten. Het hangt af van opleiding, ervaring,
eigenschappen en karakteristieken, van belemmerende factoren zoals
reisafstand, maar ook van de wensen en eisen van aanbieder en vrager.
Bovenden is de informatie die men heeft over beschikbare personen en
arbeidsplaatsen nooit volledig. Er vindt daardoor voortdurend een
zoekproces plaats waarbij vragers en aanbieders een acceptabele of
betere partner trachten te vinden en onderhandelen over een
arbeidsovereenkomst. Het resultaat hiervan is dat er op elk moment zowel
werkloosheid als openstaande vacatures bestaan. Dat er mensen werkloos
zijn terwijl er ogenschijnlijk toch ruim voldoende werk beschikbaar is,
is dus het gevolg van de normale werking van de arbeidsmarkt; zonder dit
zoekproces zou de arbeidsmarkt niet naar behoren kunnen functioneren.
De werkloosheid die het gevolg is van het zoekproces wordt
frictiewerkloosheid genoemd. Als de vraag naar arbeid groter is dan het
aanbod dan is alle werkloosheid frictiewerkloosheid, indien men buiten
beschouwing laat dat er in de praktijk werklozen zullen zijn die door
een gebrek aan vaardigheden niet gevraagd worden op de arbeidsmarkt. Is
het aanbod groter, dan is er ook conjuncturele werkloosheid. De omvang
van de frictiewerkloosheid wordt kleiner als het vraagoverschot dan wel
het aanbodoverschot toeneemt, en is maximaal als aanbod en vraag qua
omvang in evenwicht zijn. Frictiewerkloosheid neemt af als de
arbeidsmarkt efficiënter kan functioneren, door bijvoorbeeld gebruik te
maken van communicatiemiddelen zoals het internet.
Starre of
flexibele markt
Met name liberale economen en politici zijn van mening dat de
arbeidsmarkt een starre markt is. Dit wil zeggen dat het marktmechanisme
niet goed functioneert. Bij een krappe arbeidsmarkt zullen lonen onder
invloed van vraag en aanbod stijgen, bij een ruime arbeidsmarkt zullen
lonen echter niet automatisch dalen. Dit komt door de rechtspositie van
werknemers zoals die is de wet is geregeld en door
onderhandelingsresultaten tussen vakbonden en werkgeversorganisaties. Om
de arbeidsmarkt flexibeler te maken zou volgens hen de rol van de
vakbonden moeten worden teruggedrongen door bijvoorbeeld het niet meer
algemeen verbindend verklaren van cao's, versoepeling van het
ontslagrecht en werkloosheidsregelingen die meer prikkels tot zoeken
naar werk geven. Tegenstanders van deze theorie zien hierin een
individualisering en daarmee een verzwakking van de
onderhandelingspositie van werknemers. De Amerikaanse econoom Galbraith
pleit voor drie instituties die elkaar op de arbeidsmarkt in evenwicht
houden: regering, vakbonden en de grote zakenwereld.
(Bron: Wikipedia)
Veel meer over de arbeidsmarkt vindt u op de
arbeidsmarkt.startpagina.nl
|
| |
|
In
de marge |
|
|
| |
|
|
|
| |
|
Voor
u gevonden |
|
|
| |
|
|
| |
| |
|