|
Alibi van verdachten beter te controleren
Voor het eerst is het mogelijk om uit biologisch materiaal, zoals bloed en
speeksel, dat is achtergebleven op een plaats van misdrijf te ‘lezen’ op welke
tijd van de dag dit materiaal daar terecht is gekomen. Dit kan een belangrijk
nieuw hulpmiddel vormen bij het opsporingsonderzoek omdat hiermee bijvoorbeeld
het alibi van een verdachte kan worden geverifieerd. Onderzoekers van het
Erasmus MC publiceerden hun bevindingen van het onderzoek naar de biologische
test online in het wetenschappelijke tijdschrift International Journal of Legal Medicine.
Biologisch materiaal dat wordt gevonden op een plaats van misdrijf wordt met
grote regelmaat gebruikt om personen aan de hand van het DNA-profiel te
identificeren. Een verdachte kan echter ontkennen dat hij op het tijdstip van
het misdrijf op die plek aanwezig was. In zijn verweer kan hij bijvoorbeeld
aanvoeren dat het materiaal vóór of na het misdrijf op de bewuste plaats
terecht moet zijn gekomen. Het onderzoek van de afdeling Forensische
Moleculaire Biologie van het Erasmus MC maakt het mogelijk om te bepalen of
dit verweer terecht is.
Prof. dr. Manfred Kayser, hoofd van de afdeling Forensische Moleculaire
Biologie van het Erasmus MC: “In ons onderzoek baseerden wij ons op de
natuurlijke aanwezigheid van de hormonen melatonine en cortisol in het bloed
en speeksel. Zo is er gedurende de nacht een verhoogde concentratie melatonine;
deze hoge concentratie neemt in de loop van de dag steeds verder af. Van het
hormoon cortisol vind je de hoogste concentratie juist in de vroege morgen,
kort na het ontwaken, wat in de loop van de dag steeds verder afneemt. Wij
hebben gevonden dat deze hormonen nog goed zijn aan te tonen in hele kleine
hoeveelheden bloed of speeksel. Bovendien hebben we laten zien dat de bepaling
van de concentratie van de hormonen betrouwbaar genoeg is om te kunnen zeggen
op welk tijdstip van de dag het biologische materiaal op de bewuste locatie is
achtergebleven.”
Prof. dr. Ate Kloosterman van de afdeling Humane Biologische Sporen van het
Nederlands Forensisch Instituut (NFI): “Als in een strafzaak een DNA-match
wordt vastgesteld tussen de DNA-profielen van een spoor en een verdachte
bestaat er meestal geen twijfel van wie het spoor is. DNA geeft echter geen
antwoord op de belangrijke vragen hoe en wanneer het bewuste spoor is
ontstaan. Dit nieuwe onderzoek is een belangrijke aanzet om in de nabije
toekomst in elk geval de 'wanneer-vraag' aan de hand van objectieve metingen
te kunnen beantwoorden.”
De volgende stap van het onderzoek is om andere biologische markers te
bestuderen op basis waarvan nog meer gedetailleerde uitspraken gedaan kunnen
worden over het tijdstip van de dag maar ook over de ouderdom van het spoor
waarop het biologische materiaal is gedeponeerd.
Het onderzoek van Erasmus MC is mogelijk gemaakt door subsidies van het
Nederlands Forensisch Instituut (NFI) en van het Netherlands Genomics
Initiative (NGI)/NWO in het kader van het Forensic Genomics Consortium
Netherlands (FGCN).
|